“In de wereld is iedereen vreemdeling”
| Voor het eerst gepubliceerd in Boekenkrant (voorheen Bazarow) - 8 maart, 2026 |
De filosoof Jean-Luc Nancy, aan wie ik mijn boek heb opgedragen, vroeg zich dat ook af in een essay dat voor mij een eye-opener was: La communauté désœuvrée, ‘De ontwerkte gemeenschap’, uit 1982. Het begrip gemeenschap ‘werkt’ niet meer volgens oude, premoderne criteria. Dat analyseert Nancy in gesprek met Bataille. Ik vond dat geweldig en ik wilde ook Bataille bestuderen.
Nancy gaf me daarnaast ook een voorbeeld van hoe je op academisch niveau onderzoek kunt doen naar Bataille en toch de wildheid en het poëtische van zijn teksten kunt respecteren. Nancy en Bataille zoeken naar de mogelijkheid van een ‘bond of separation’: een band met iemand met wie ik helemaal geen band heb, van wie ik gescheiden ben. Iemand niet verstaan, niet begrijpen met zijn gewoontes. Toch is dat misschien – stellen beide denkers… en stel ik in Wereldtijd – de voedingsbron voor de moderne democratie en het soort gemeenschap waar ze voor staat.”
Vóór de axiale tijd leefden mensen dus volgens lokale codes die niet bedoeld waren om overal, wereldwijd te werken. Mensen ontleenden hun identiteit aan de groep, hun philia. Er is een vanzelfsprekend onderscheid met de xenia: het vreemdelingschap. De vreemdeling komt langs, als reiziger bijvoorbeeld, en je geeft hem of haar gastvrijheid, waarna hij of zij weer vertrekt.
In de axiale tijd vervaagt het verschil tussen bekend en vreemd: de wereld als plek om te wonen wordt ontdekt. In de wereld is iedereen vreemdeling. In die zin begint onze tijd door de axiale transformaties een ‘wereldtijd’ te worden…”
Migratie is hét kenmerk van onze ‘wereldtijd’. Ook mensen met een vaste plek stuiten steeds meer op anderen die dat niet hebben. Dus op migranten. Migreren betekent aan onze deur kloppen en een vraag stellen: mag ik binnenkomen, kan ik asiel krijgen? Los daarvan ontmoet je mensen uit andere werelddelen op straat of op je werk.
Je kunt wegkijken, maar of we hoog of laag springen, we moeten ons tot hen verhouden. Zodra je iets doet met de vreemdeling ontstaat er een dubbelheid in vreemd-zijn. De ander is een vreemdeling voor mij. Maar ik ben ook een vreemde voor hem of haar. Én een vreemde voor mijzelf, omdat de ontmoeting met de ander een aanleiding is om mijzelf te bevragen: wie ben ik eigenlijk zelf? Het is een spanningsverhouding die productief kan zijn.
Spanning: want de vreemdeling is niet simpelweg een figuur tegen wie je kunt zeggen: kom binnen, welkom, maar pas je aan en integreer. De vreemdeling blijft allereerst vreemdeling. Onze samenleving in tijden van massamigratie kan niet simpelweg zeggen: ‘Wir schaffen das’, zoals Angela Merkel het verwoordde tijdens de Syrische vluchtelingencrisis in 2016.
Noch integreren, noch terugsturen is een optie. Migratie kan niet gecontroleerd worden, want de vreemdeling laat zich niet controleren. Hij of zij verhoudt zich tot ons, simpelweg door te blijven komen en aan ons een vraag te stellen: ‘verhoud je tot mij!’.
Onze maatschappijen kunnen de vreemdeling niet zomaar ‘absorberen’. Dat is de neoliberale illusie die helaas de politiek al lang domineert: de maatschappij is als een ‘markt’, en markten reguleren zichzelf wel. Dat is een naïeve, gevaarlijke illusie.
De politiek, van Den Haag tot aan de basis in de wijken, moet meer doen om mensen in staat te stellen zich te verhouden tot de vreemdeling. De vreemdeling is altijd óók een indringer, stelt Nancy in een essay uit 2000. Hij heeft een harttransplantatie ondergaan en vergelijkt zijn donorhart met een indringer waarbij het immuunsysteem het vreemde hart wil afstoten. Dat geldt ook in het sociale en politieke veld, vindt Nancy.”
Het kunstwerk op de omslag van Wereldtijd is gemaakt door de Rotterdamse beeldend kunstenaar Harry Haarsma: migrerende vogels boven de oneindige zee (symbool voor de oneindige wereld), en tegelijkertijd zie je prikkeldraad: grenzen. Het is getiteld ‘Van de wereld’. Interessant is de vraag: zijn we nu met al die expansiedrift ook van de wereld? Of zijn we de wereld aan het kwijtraken, van de wereld gevallen? Twee betekenissen van het woordje ‘van’.
Eigenlijk zijn we in de wereld als in een groot hotel, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in zijn mooie boek Grand Hotel Europa, een hotel waar gasten als vreemden komen bij hoteleigenaren die ook vreemden zijn in hun eigen stad. Denk aan Venetië of Amsterdam: migratie is ook tijdelijke migratie, namelijk massatoerisme.
Al deze vormen van migreren en reizen over de wereld, waardoor de naoorlogse periode zo sterk gekleurd wordt, betekenen dat je niet kunt zeggen dat we probleemloos in de wereld zijn. Dat geeft onzekerheden. Mensen willen de wereld ontdekken (lekker je vliegvakantie boeken naar Vietnam, Japan, Dubai, Peru…), maar tegelijkertijd schrikken ze terug voor die wereld. Is de wereld niet te groot om erin te leven?
We willen ergens bij horen, maar horen we wel ergens bij? Willen we wel ergens bij horen? Willen we niet liever op onszelf zijn, zelf onze levens bepalen, doen waar we zin in hebben? We zijn allemaal vreemden.
De ontdekking van de wereld heeft dus twee tegenover elkaar staande consequenties: ik ben in de wereld maar niet van de wereld – grappig genoeg een Bijbelse uitdrukking. De monotheïstische religies komen op mét de axiale tijd en versterken haar. Het afscheid van de lokale gemeenschappen en van hun goden gaat gepaard met de geboorte van nieuwe religieuze tradities.
De figuur van de vreemdeling is in al deze complexe en ambigue transformaties radicaal universeel geworden. Ook God wordt een vreemdeling, een indringer.
De axiale tijd heeft dus niet alleen de relaties van mens tot mens veranderd. Ook de verhouding tussen goden en mensen is ingrijpend anders geworden. In jodendom, christendom en islam wordt de godsfiguur tot de vreemdeling, als degene die niet tot het aardse bestaan behoort. God staat op afstand, is niet meer de godheid dicht bij de mensheid. Niet meer die god die het denken en doen van de mensen manipuleert en alles betekent voor hen.
De nieuwe godsfiguren horen niet tot de mensenwereld. In de islam is dat sterker geradicaliseerd dan in het christendom. Allah is een naam en niemand weet wie Allah is.”
‘Het ware leven is afwezig. Toch zijn wij in de wereld.’ Dat is de openingszin in het boek van de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas, Totaliteit en oneindigheid, waarin hij twee vragen uitwerkt: wie is de ander en hoe ziet de wereld eruit die bestaat uit ontmoetingen met die ander?
Levinas citeert de negentiende-eeuwse Franse dichter Rimbaud. Die zegt na het citaat over het ware leven dat afwezig is: “wij zijn niet in de wereld”. Beiden zijn het erover eens dat het ware leven afwezig is. Dan kun je er ook niet over beschikken.
Voor Rimbaud betekent dat: niet in de wereld zijn, want wij vervreemden ons van de ander. Maar Levinas zegt juist dat het ware leven het verlangen is naar een relatie met de ander die ons vreemd is. Een radicaal vreemde, en daarom kun je je die Ander nooit eigen maken als jouw bezit. Het ware leven is daarom afwezig én het plaatst ons in de wereld om de ander steeds te ontmoeten.”
Hij schrijft een gedicht over dit torso, waarin het beeld hem als het ware toespreekt: ‘Je moet je leven veranderen’. De woorden worden overgenomen door de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, die er in 2009 een boek aan wijdt. Daarin doordenkt hij de wereld van nu, een wereld die volgens hem eindelijk eens serieus moet nemen wat we al sinds de axiale tijd willen: in de wereld leven, op planetaire schaal.
Het is een vervolg op Wereldtijd, want marktdenken en volksdenken – neoliberalisme en populisme – zijn naar mijn analyse twee kanten van dezelfde medaille: ze hanteren een eenzijdige visie op de mens als ondernemer of de mens met een vaste identiteit (nationaal, etnisch, religieus, cultureel), op de vrijheid als zelfbeschikking, op de tijd als een alomvattend heden, en vooral: ze kunnen niets met de complexiteit die de wereld al zo’n 2500 jaar karakteriseert: de complexiteit van een wereld waarin het vreemdelingschap de dragende, universele kracht is.
Tussen markt en volk is ook een terugblik op de denkers die mij sinds de jaren tachtig hebben gevormd en die een heel andere benadering van de wereld en de tijd voorstaan: Jacques Derrida, Hannah Arendt, Friedrich Nietzsche, Michel Foucault, en Bataille en Levinas.”
Boekrecensie: Laurens ten Kate - Wereldtijd; essay over de vraag van de vreemdeling